“Wie de waarheid omtrent zichzelf onder ogen wil zien, moet wel op enkele teleurstellingen bedacht zijn.” Bertrand Russel. Britse filosoof.
Gianna staart naar de arts. De tranen staan in haar ogen en haar lippen zijn vochtig. Ze staat op en schudt hem de hand. Gianna loopt de gang op, en loopt direct weg.
Menno staat op en loopt achter haar aan. ‘Gianna,’ roept hij.
Met betraande ogen kijkt Gianna om. Ze blijft stilstaan.
Menno pakt haar stevig beet en omhelst haar. Gianna begint te huilen. Haar tranen druppelen neer op Menno’s shirt, maar dat maakt hem verder niks uit.
‘Is hij je vader?’ Vraagt Menno.
‘Ja,’ zegt Gianna met een zielig stemmetje. Ze maakt zich los van Menno en kijkt hem aan. ‘Er is iets wat je niet weet,’ zegt ze, ‘ik ontdekte het een paar weken na de verkrachting.’
Menno kijkt Gianna onwetend aan.
‘Ik was zwanger,’ zegt ze, ‘Johanthan ontdekte het, en dwong mij direct abortus te laten plegen. Johanthan was rijk, en regelde dus ook wel dat het snel en ongeregistreerd kon. Binnen twee dagen was het gebeurd. Hoewel het misschien wel beter was, omdat het een kind was, ontstaan tussen mij en mijn biologische vader en ik ook nog eens minderjarig was toen, wilde ik het helemaal niet. Ik was er nog niet uit of ik het echt weg wilde laten weghalen of wilde houden, maar hij dwong me.’
Menno weet dit keer echt niet hoe hij moet reageren. Ze overdondert hem hier nogal mee.
‘Ik wil niet dat verder nog iemand dit weet,’ zegt ze.
‘Natuurlijk,’ zegt Menno, ‘dat begrijp ik.’
‘Nu ik weer zwanger ben, maar dit keer van jou, ben ik zo ontzettend bang dat jij familie van me bent. Dan moet ik het weer weg laten halen.’
Menno schudt zijn hoofd. ‘Die kans is echt ontzettend klein,’ zegt Menno, ‘en er is niemand nu die je kan verplichting het kind weg te laten halen. Johanthan zeker niet. Die is dood.’
Gianna gaat terug op de stoel zitten. ‘Ja,’ zegt ze, ‘hij was mijn vader.’ Meer zegt ze niet, daar kan niemand haar ook toe verplichten.
De arts vraagt Menno binnen te komen. Menno gaat zitten. ‘De DNA-test heeft aangetoond dat uw DNA overeenkomt met dat van Johanthan Sobers. Hij is dus uw vader,’ zegt de arts, ‘we hebben uw DNA ook vergeleken met dat van Thermaine Minestone. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het DNA uw moeder is.’
Menno kijkt de arts aan. ‘Als ik nu naar buiten ga vraagt iedereen direct wat de uitslag was,’ zegt Menno tegen hem. Hij blijft er verrassend kalm onder. ‘Dat wil ik niet. Zou u Thermaine en Gianna even voor mij kunnen roepen? Ik wil hen eerst even spreken voordat de rest het weet.’
De arts knikt. ‘Natuurlijk,’ zegt hij. Hij staat op, en laat even later Thermaine en Gianna binnen. Die hebben al zo hun vermoeden, waarom ze naar
binnen zijn geroepen.
Gianna gaat zitten. Menno staat op zodat ook Thermaine een plek heeft om te zitten. ‘Thermaine,’ zegt hij, ‘je bent mijn moeder.’
Gianna zegt niks, en begint te huilen. Thermaine staart hem aan.
‘Johanthan was echter ook mijn vader,’ zegt Menno, ‘hoe kan het dat hij mij toch heeft weggegeven?’
Thermaine probeert aarzelend aan een zin te beginnen, maar weet niet precies hoe ze hem moet formuleren. Het duurt dan ook even voordat ze een helder antwoord kan geven. ‘Zoals je weet had Johanthan regelmatig seks met mij,’ zegt ze, ‘maar kwamen er ook anderen langs. We waren nooit helemaal zeker of het kind wel of niet van hem was, mede omdat het bij Johanthan niet altijd wilde lukken. Ik denk dat Johanthan dacht dat niet hij, maar iemand anders jouw vader was.’ Thermaine kijkt Menno niet aan als ze tegen hem praat. ‘Wat ook kan… ik was een keer zwanger, en het was zeker dat dat van Johanthan was. Alleen begon de bevallig veel te vroeg. Er werd een zoon geboren, en hij moest naar het ziekenhuis. Johanthan kon hem er echter niet zelf naar toe brengen, dat zou teveel opvallen. Daarom is het kind ter vondeling neergelegd bij de E.H.B.O. Niks mocht immers naar de familie Sobers verwijzen, want dan zou ik gevonden worden. Hij kon dat kind dus ook onmogelijk terugkrijgen. Het risico zou dan te groot zijn dat er ontdekt werd dat er iets niet klopte.’
Menno knikt en kijkt dan naar Gianna. ‘Gianna, als jij het met mij eens bent wil ik dit stilhouden,’ zegt hij, ‘we hebben het nooit geweten, en waren echt verliefd. Ik vind dat we ook niet hoeven te breken. Nu het misschien biologisch wel zo blijkt te zijn, vind ik niet dat dat ook betekent dat we er direct een punt achter moeten zetten. Wat mij betreft kunnen we gewoon bij elkaar blijven. Het is nu dan wel zo dat we familie zijn, maar het voelt niet zo… het voelt meer alsof we een stel zijn.’
Gianna kijkt hem aan en glimlacht naar hem. ‘Dat zijn we ook,’ zegt ze, ‘we zijn en stel, en geen familie.’ Gianna kijkt naar Thermaine. ‘Kunnen we er op rekenen dat jij je mond hierover houdt?’ Vraagt ze, ‘dat is echt heel belangrijk voor ons beide.’
Thermaine kijkt haar even twijfelend aan, maar knikt dan.
‘Er waren even wat problemen met de leesbaarheid van het onderzoek,’ zegt Menno direct tegen de rest als ze met z’n drieën naar buiten komen, ‘maar het goede nieuws is dat ik geen familie ben.’
Menno pakt net als de rest zijn jas. Alle testuitslagen zijn bekend. Jaspar is niet Johanthans zoon, de rest is dat wel. Wie Jaspars echte vader is zal nog moeten blijken. Als hij het al zou ontdekken, natuurlijk…
‘Ik ga niet meer met jullie mee terug naar het landhuis,’ zegt Thermaine, ‘met deze uitslagen is alles nu bekend.’ Ze kijkt iedereen aan. Iedereen is
gestopt met het aantrekken van jassen en het zoeken naar tassen en luistert nu naar haar. ‘Ik ga op zoek,’ zegt ze, ‘op zoek naar mijn leven zoals het was toen ik vertrok. Ik ben heel erg benieuwd naar wat er nu nog over is van mijn familie en vrienden.’ Ze glimlacht flauwtjes, maar kijkt dan weer somber naar de rest. ‘Jullie zijn mijn kinderen,’ zegt ze, ‘en ondanks dat ik jullie niet als zoons of dochters zie, zal ik jullie toch wel een beetje missen. Wel wil ik jullie nog iets opbiechten. Johanthan is niet gestorven doordat hij van de trap viel. Ik heb hem van de trap getrokken in de hoop te kunnen ontsnappen…’ Ze vertelt gehaast het hele verhaal over haar ontsnapping en Sharona’s reactie hierop.
‘Je hoeft je er niet schuldig over te voelen,’ zegt Gianna, ‘Johanthan wilde je doden omdat je op een leeftijd kwam dat het niet meer veilig was kinderen te krijgen. Jij wilde niet dood, en hebt jezelf op deze manier gered. Dat is begrijpelijk.’
‘Eigenlijk moeten we je dankbaar zijn,’ zegt Jaspar, ‘ik ben dan wel niet Johanthans echte zoon, maar je hebt ons wel bevrijdt van dat monster.’
Thermaine omhelst Jaspar en Gianna tegelijk. Daarna loopt ze naar Zjenja die ze langdurig omhelst. ‘Het spijt me als ik je verwachtingen bij het zoeken van je moeder niet heb waargemaakt,’ zegt Thermaine.
‘Het geeft niet,’ zegt Zjenja, ‘het verbaasde me wel dat ik een Nederlandse moeder had, maar achteraf gezien is het best logisch. Ik zal je missen… ma.’
Thermaine lacht en omhelst Zjenja nogmaals.
Thermaine gaat vervolgens naar Menno en geeft hem een kus op de wang. Ze zegt verder niks tegen hem.
Daarna loopt de groep samen het ziekenhuis uit. Thermaine loopt naar de bushalte. Gianna, Jaspar, Zjenja en Menno gaan met de auto richting Landhuis de Daalder.
Volgende week verschijnt het slot van Familiegeheimen.