#21: Haten en beminnen [SLOT]
29 juni 2010

“Ik haat en ik bemin.” Gaius Valerius Catullus. Latijnse lyricus

Gianna omhelst Zjenja. ‘Het is echt een prachtig huis,’ zegt ze, ‘grote woonkamer, prachtige badkamer en een schitterende tuin voor de kleine om in te spelen. Je komt nog wel eens langs, hè?’
Menno en Gianna hebben een huis gevonden om te gaan wonen en een gezin te stichten.
Zjena knikt. ‘Zeker,’ zegt ze, ‘ik moet toch wel mijn nieuwe neefje of nieuwe nicht eens gezien hebben, hè?’
‘Watersloot is een prachtige plek om te wonen,’ zegt Menno, ‘ik kan het je zeker aanraden om daar ook iets te zoeken.’
Zjenja haalt haar schouders op. ‘Ik weet niet echt wat ik ga doen,’ zegt ze, ‘dit huis hier is nog niet verkocht, dus ik kan hier voorlopig nog blijven.’
Jaspar komt naast haar staan. ‘Dan wonen wij hier nog samen,’ zegt hij, ‘ik heb ook nog geen idee wat ik nog verder wil met m’n leven.’ Hij omhelst Gianna stevig en schudt daarna Menno de hand. ‘Jullie zijn een mooi koppel,’ zegt Jaspar.
Gianna en Menno kijken elkaar aan en geven elkaar een kus. Ze houden van elkaar, en zullen dat waarschijnlijk ook blijven doen. Bijna niemand weet toch die waarheid.

Jaspar staat op en pakt de afstandsbediening. Hij kijkt nog even naar een paar namen op de aftiteling en zet dan de televisie uit.
Zjenja komt de woonkamer binnen. ‘Jas,’ zegt ze, ‘ik wist de afgelopen weken niet wat ik wilde, daarom bleef ik hier. Maar ook wel een beetje zodat mijn broer hier niet alleen zou achterblijven… dan is het hier helemaal zo eenzaam en vol herinneringen.’
‘Ga zitten,’ zegt Jaspar vriendelijk, ‘dat praat wat relaxter.’
Zjenja gaat zitten. ‘Het duurt vast nog even voor dit huis verkocht is,’ zegt ze, ‘en ik had hier graag gebleven totdat iemand het zou hebben gekocht… maar ik heb een baan aangeboden gekregen bij een adoptiebureau, maar dat zit niet hier naast de deur. Daarom ga ik verhuizen… als je dat niet erg vindt tenminste.’
Jaspar glimlacht. ‘Je had nogal moeite het te vertellen, hè?’ Vraagt hij. Hij houdt zich groot. ’Het maakt toch helemaal niet uit. Wij zouden hier allemaal mogen blijven wonen tot de verkoop om weer een richting te kiezen in ons leven. Die richting heb jij nu gevonden.’ Hij pakt de afstandsbediening onbewust weer op en zet de televisie opnieuw aan. ‘Wanneer ga je weg?’
Zjenja begint wat ongemakkelijk over de achterkant van haar nek te wrijven. ‘Eh… nou, ik zag er nogal tegen op te vertellen, dus ik heb het telkens voor mij uitgeschoven, en dus…’ Na wat aarzeling besluit ze het kort en direct te zeggen. ’De taxi komt over vijf minuten.’
Jaspar staat op, en terwijl hij opstaat zet hij de televisie weer uit. ‘Dan moeten wij ook maar afscheid nemen,’ zegt hij, ‘ik vond het fijn je weer eens te zien. Ook al waren het dan niet echt prettige gebeurtenissen de afgelopen tijd. Jij, en ook de anderen… het voelt toch als familie.’
‘Ik ben erg geschrokken van wat er met je gebeurd is,’ zegt ze, ‘en ook wat Johanthan met al die anderen heeft gedaan… en wat hij mij al die tijd heeft voorgespiegeld. Als ik niet was gekomen had ik mijn hele leven gezocht naar iemand die niet bestaat.’
Jaspar knikt. ‘Het is misschien wel beter dat hij nu dood is,’ zegt hij, ‘er bestaat niet net zo’n monster als hij. Het is een soort verlossing.’
Zjenja knikt. ‘Voor de begrafenis had ik je een klap gegeven als je dit over hem zou zeggen,’ zegt ze, ‘maar nu kan ik mij eigenlijk wel in je woorden vinden.’
Er wordt aangebeld.
‘Dat zal de taxi zijn,’ zegt Zjenja.
Jaspar loopt met haar mee naar de deur. Ze omhelzen elkaar, en daarna doet Zjenja de deur open. ‘Taxi?’ Vraagt ze.
De man die voor de deur kijkt haar even schaapachtig aan en schudt dan traag zijn hoofd. Hij kijkt langs Zjenja heen, naar Jaspar.
Jaspar kijkt hem aan alsof hij zojuist een spook heeft gezien. Zijn hartslag versneld, en hij voelt en hoort zijn hart overal in zijn lichaam kloppen. Zijn mond komt iets open te staan, maar hij zegt niks. Hij maakt alleen met z’n tong zijn lippen een beetje vochtig. Jaspar begint zwaarder en sneller te ademen en slikt.

Jaspar kijkt recht in de brandende zon. Hij kijkt snel weg en gaat verder met zijn werk.
Hij mag samen met met twee anderen buiten werken, aan het onderhoud van het terrein. Jaspar kijkt de anderen aan. Het is bloedheet en het zweet druipt van z’n voorhoofd. Niet alleen van z’n voorhoofd, onder zijn oksels en op zijn rug zijn grote zweetplekken ontstaan die door zijn shirt heen drukken.
Hij trekt z’n bezwete shirt uit om even verkoeling te zoeken. ‘Verkoeling,’ zegt hij als Hendrik hem vreemd aankijkt.
Hendrik is ook een Nederlander. Een exacte leeftijd weet Jaspar niet, maar waarschijnlijk is hij twee of drie keer zo oud als dat hij is. Hendrik laat z’n spullen op de grond vallen en loopt naar Jaspar toe.
‘Je moet doorzetten,’ zegt Jaspar, ‘je weet wat de straffen hier zijn als een bewaker ziet dat je niet doorwerkt…’
Hendrik zegt niks. Hij grijpt Jaspar bij zijn haren op zijn achterhoofd beet en duwt hem tegen een muurtje aan. Met één krachtige beweging trekt hij met z’n linkerhand Jaspars broek omlaag, terwijl hij met zijn rechterhand zijn eigen broek losmaakt.
Jaspar wordt met z’n gezicht met kracht tegen de muur gedrukt. Zijn wang raakt constant de door de zon opgewarmde ruwe, bakstenen muur. Hij schaaft z’n wang er aan open. Met een krachtige stoot werkt Hendrik zichzelf bij Jaspar naar binnen.
De anderen gaan gewoon door met hun werk. Ze zijn het blijkbaar gewend. Grommend komt Hendrik tot zijn hoogtepunt. Hij trekt z’n broek weer op, en gaat aan het werkt, alsof er niks is voorgevallen.
Jaspar denkt dat het voorbij is, maar een volgende duwt hem tegen de muur aan, en herhaalt precies dezelfde handelingen als Hendrik, alleen dan net nog wat hardhandiger.
Jaspars ogen beginnen te tranen… hem is altijd voorgehouden dat mannen niet huilen, maar aan die les van vroeger heeft hij nu verder geen boodschap.

‘Hendrik,’ zegt Jaspar verwijtend. Er staan weer tranen in zijn ogen, maar dit keer weet hij ze binnen te houden.
‘Jaspar?’ Vraagt Hendrik. Hij klinkt niet verwijtend, maar juist verbaasd. Hij had hem duidelijk niet verwacht in dit huis. ’Nouja, anyway. Ik ben dus vrij, en hoorde dat Johanthan Sobers is overleden,’ zegt Hendrik, ‘ik kende hem nog van vroeger. Het kan misschien een beetje vreemd klinken, maar ik heb toen bij een vrouw hier een kind verwekt.’
Zjenja trekt Hendrik aan zijn arm mee de woonkamer in. ‘Vertel,’ zegt ze, ‘niet dat ik zin heb in een seksverhaal, maar we weten wie de vrouw is: Thermaine Minestone. Elk verhaal is er één te veel, maar om een beter beeld van onze familie te krijgen, willen we die verhalen wel graag weten.’
‘Ik kende Johanthan van de studie,’ zegt Hendrik, ‘ik had hem al een tijd niet gezien, en we hadden weer eens wat afgesproken om bij te praten. Johanthan was heel erg rijk geworden van de oliehandel, bij mij was dat juist misgegaan. We vertelde onze verhalen, onder het genot van wijn en champagne. Uiteindelijk waren we erg aangeschoten, en toen nam Johanthan mij mee naar de kelder, waar die vrouw was.’
Jaspar luistert het met afschuw. Hij probeert het verhaal te volgen, maar zijn gedachten gaan keer op keer uit naar al die keren dat hij in de gevangenis misbruikt is.
Zjenja heeft geen last van deze gedachten en kan het verhaal goed volgen.
‘Ik hoorde later dat ik haar heb bevrucht,’ zegt Hendrik, ‘maar ik mocht van Johanthan niet meer naar haar toe. Toen ik per toeval ontdekte dat ze bevallen was, wilde ik het kind zien, maar dat mocht ook niet. Ik dreigde naar de politie te gaan,  dat wilde Johanthan ook niet. Hij gaf me een foto van het kind, om mij zoet te houden, maar was ondertussen bezig met iets om van mij af te komen. Hij gaf me ook een ticket voor twee weken Brazilië, wat ik wel goed kon gebruiken nadat ik zo goed als failliet was gegaan. Toen ik daar op de luchthaven aankwam werd ik direct aangehouden omdat ik het kopstuk van een drugsbende zou zijn. Toen ben ik vastgezet. Nu ben ik hier. Ik ben een paar dagen geleden vrijgelaten en wil weten wat er van mijn zoon geworden is.’
Jaspar staart Hendrik aan. Hendrik gebruikte hem, alsof het een opblaaspop was, en nu zit hij hier… vlak naast hem, op de bank, in een huiselijke sfeer. Door zijn herinneringen komen allerlei gevoelens terug die hij tijdens de aanrandingen ook voelde.
Zjenja zucht. ‘Waarschijnlijk weggegeven,’ zegt ze, ‘maar hoe dat zit is heel ingewikkeld om uit te leggen.’ Zjenja is niet van plan haar mond te houden en vertelt het hele verhaal in het kort.
Er wordt ondertussen meerdere keren aangebeld, maar dat hindert niemand. Die taxi kan wel wachten, en anders rijdt-ie maar weg zonder Zjenja. ‘Heb je die foto nog?’ Vraagt ze op het eind.
Hendrik knikt. ‘Ik heb hem hier,’ zegt hij. Hij pakt z’n portemonnee, en haalt er een oude, verfrommelde foto uit.
Zjenja pakt de foto aan. ‘Wat een schattig joch,’ zegt ze, ‘ik hoop echt dat hij weer terecht komt.’ Ongevraagd duwt ze de foto ook in Jaspars hand. Jaspar kijkt er naar terwijl hij voelt dat zijn voorhoofd bezweet is. Op de foto is een kind te zien, met een teddybeer…

Jaspar loopt naar de microfoon en vouwt een A4′tje open die hij neerlegt. In het gevouwen A4′tje zat ook nog een kinderfoto van hem. De foto is zwart-wit en hij staat er als baby op, met een teddybeer die twee keer zo groot is als hij. Hij kucht even en neemt een slok water voordat hij begint te spreken. (Uit: Familiegeheimen #5: Dankbaarheid)

Het is exact dezelfde foto. De woorden van Zjenja en Hendrik gaan compleet langs hem heen. De gezichten van de twee vervagen, en lijken te gaan dolen door de kamer. Jaspar staat op. Hij wordt door Hendrik aangesproken, maar Jaspar reageert niet. Hij heeft de woorden niet eens verstaan. Hij loopt verder, als Hendrik hem op een wat luidere toon aanspreekt. Jaspar draait zich om en kijkt hem met een vernietigende blik aan. Hij grijpt naar een kandalaar en haalt er mee naar Hendrik uit. De kandalaar raakt zijn gezicht, vlak boven zijn oog.

Jaspar hoort gekreun en gehijg aan de andere kant van de deur. Hij opent de deur een klein beetje en kijkt naar binnen. Johanthan draait zich net om, zodat hij weer op het bed komt te liggen. Hij ziet er uitgeput uit. Beide mensen in het bed zijn naakt.
‘Een ton,’ zegt de vrouw inmiddels bijgekomen vrouw die naast Johanthan ligt. Het is niet Sharona. Aan de kleding te zien die op de grond ligt, gaat het om het kamermeisje. ‘Ik wil een ton,’ zegt ze, ‘elke vijf jaar. Anders komt deze gebeurtenis naar buiten. Daar zal de media van smullen.’
‘Ik heb van jou gesmuld,’ zegt Johanthan, ‘maar een ton ben je niet waard.’
‘Ik vertel het aan iedereen hoor,’ zegt het kamermeisje, ‘dan verdien ik er tenminste nog iets aan. Je denkt toch niet dat ik vrijwillig met je het bed in ben gedoken?
Jaspar duwt de deur wat verder open.

Blind van woede springt Jaspar op Hendrik af.
Hendrik heeft het niet direct door omdat hij nog te druk is met de wond boven zijn oog. Jaspar zet allebei zijn handen om de keel van Hendrik heen.
Zjenja staat paniekerig op, maar Jaspar is veel te sterk voor haar. Ze kan hem niet tegen houden.

Johanthan komt overeind en zet zijn handen op de keel van het kamermeisje. Met alle kracht die hij in zijn handen heeft knijpt hij bijna haar hele nek fijn. Daar is hij alleen net iets te zwak voor.
Jaspar kijkt vol ongeloof naar het bed. Hij duwt de deur open en rent op Johanthan af: zijn ‘vader’ mag geen moord plegen.

Zjenja blijft aan Jaspars armen trekken, in de hoop dat hij loslaat.
Jaspar kijkt alleen even geïrriteerd om, en versterkt daarna zijn greep nog eens extra.
Hendrik begint te zweten. Zijn gezicht wordt knalrood.

‘Laat los!’ Roept Jaspar. ‘Dat je vreemd gaat is tot daar aan toe, maar dat je haar dan vervolgens ook nog wilt vermoorden!’
Johanthan draait zijn gezicht om, maar de woorden van Jaspar lijken geen indruk te maken. Het lijkt juist alleen maar alsof die woorden Johanthan meer kracht geven.
Jaspar trekt aan Johanthans arm alsof zijn leven er van af hangt. Hij is net sterk genoeg om Johanthans linkerhand van de nek te krijgen.

Jaspar voelt hoe Zjenja steeds meer grip op zijn arm krijgt, en zijn kracht om Hendrik te wurgen steeds verder afneemt. Hij kijkt wild om zich heen en ziet een schaar liggen, op het tafeltje naast de bank. Hij blijft nog even doorgaan met de wurging, maar laat dan met zijn rechterhand de nek van Hendrik los. Hij grijpt met die hand de schaar.

Johanthan duwt Jaspar naar achteren. Jaspar valt op de grond en blijft even versuft liggen.
Johanthan grijpt een mes en loopt snel richting het kamermeisje, dat nog een beetje bij moet komen van de wurging. Johanthan heft het mes tot naast zijn hoofd en ramt daarna met één beweging het mes door de nek van het kamermeisje. Het mes mist nipt een nekwervel en schiet dwars door haar nek heen. De punt van het mes maakt een klein gaatje in de stof van de lakens waarop ze ligt.
Jaspar kijkt verdwaasd naar het tafereel.

Jaspar verheft de schaar tot naast zijn hoofd.
Zjenja kan niet op tijd ingrijpen.
Met één vloeiende beweging ramt Jaspar de schaar in Hendriks hals. De schaar doorboort Hendriks nek, net onder het strottenhoofd. De schaar gaat door de luchtpijp, en de halsslagader en blijft in een nekwervel steken. Het geluid dat de schaar maakte toen het een gat in Hendriks hals maakte kan niet anders omschreven worden dan zeer akelig.
Het bloed spuit eruit, alsof Jaspar zojuist de kraan van een tuinslang heeft open gedraaid, maar er een gaatje in de slang blijkt te zitten. Het enige verschil is dat het hierbij niet om water gaat, maar om bloed.
Hij blijft de schaar vasthouden, en probeert hem dieper door de nek te duwen. Het lukt niet de schaar door de nekwervel heen te boren.
Het bloed loopt over zijn handen. Jaspar kijkt ernaar, en blijft er onophoudelijk naar kijken. Het bloed van Hendrik voelt warmer aan dan dat zijn handen zijn.
Zjenja heeft afstand genomen, maar staat ook als verstijfd.
De stroom bloed veroorzaakt een enorm vlek op de bank, op de grond, op zijn kleding. Het blijft spuiten, maar al vrij snel neemt de kracht van het spuiten af. Het loopt er nu nog zacht uit, langs zijn nek, druppelt het op de bank.
De druppels die nu nog uit zijn hals komen laten geen vlekken meer achter, alles zit immers toch al onder het bloed.
Jaspar trekt de schaar uit Hendriks keel. Het geluid dat hierbij vrijkomt is misschien nog wel akeliger als het geluid dat er was toen de schaar de nekhuid van Hendrik doorkliefte. Zeker omdat het terugtrekken van de schaar trager gaat.
Het bloed druppelt van het metaal op de grond. Hij laat de schaar uit zijn handen vallen, en de schaar valt kletterend op de grond.
Hij kijkt om naar Zjenja, die hem op haar beurt angstig aankijkt, bang dat hij haar ook iets aan zal doen. Jaspar loopt naar haar toe, en omhelst haar. In zijn ogen zijn tranen. Zjenja is niet op tijd om hem van zich af te duwen. Hendriks bloed raakt zo ook haar lichaam. ‘Zeg me dat dit niet zo is,’ zegt hij terwijl de tranen beginnen te stromen, ’dit was niet echt… toch?’
Zjenja duwt Jaspar zachtaardig van haar af en schudt haar hoofd. ‘Zal ik de politie bellen of geef je jezelf aan?’
Jaspar reageert niet. Hij laat zich huilend door zijn knieën zakken. Zijn rug is gebogen, en zijn hoofd leunt op zijn armen. Met zijn handen houdt hij zijn haar vast, terwijl zijn ellebogen op de grond leunen. Nu pas komt die emotie vrij, de emotie van al, die, jaren…

Geheimen zijn onthuld. Dit was het slot van Familiegeheimen. Hartelijk dank voor het volgen van deze serie. Op ISOAPS.nl kunt u nog heel veel leuke, andere series terugvinden.


CopyRight (C) 2009 - 2010 - NRG
Teksten binnen de website zijn auteursrechtelijk beschermd.
Geen enkel persoon of gebeurtenis komt overeen met de werkelijkheid.
Elke overeenstemming met bestaande personages berust op toeval.
De gebruikte foto's zijn alleen gebruikt ter vermaak van de lezer,
en hebben op geen enkele manier te maken met de afgebeelde persoon.
Wij streven er naar om alle rechten te controleren.
Mocht u materiaal tegen komen dat van u is,
dan kunt u contact met ons opnemen waarna wij dit materiaal
van de site kunnen verwijderen.
Een deel van de gepubliceerde afleveringen begint met
een kort citaat uit een uitgebreidere tekst, om zodoende
de sfeer en gebeurtenissen binnen de aflevering te verduidelijken.
De rechten van deze citaten behoren niet bij ons, maar bij derden.