Episode 78: Goede raad is duur
De twee fietsers kijken door de gebroken ruit. Van de mannelijke bestuurder ligt zijn hoofd in zo’n rare hoek ten opzichte van zijn lichaam, dat zijn nek wel gebroken moet zijn. Bovenop hem licht een naakte jonge vrouw. Ze heeft meerdere lelijke wonden van glasscherven, waaronder een paar flinke scherven die zo te zien behoorlijk diep zitten. “Bel 112,” zegt de fietser die zichzelf nog het beste in de hand heeft. “Ze leeft nog… net.”
Sven zit op een stoel te wachten met zijn hoofd in zijn handen. Hij kan niet geloven dat Arnout dood is. Waarom heeft hij iet gezegd dat hij ziek was? maalt maar door zijn hoofd. Als ik dat had geweten…” “Meneer?” klinkt er dan. Sven kijkt op en ziet Albert staan. “Weet u al wat meer?” vraagt hij. Sven schudt zijn hoofd. “Het spijt me, Albert. Hij heeft het niet gehaald.” Albert laat zijn hoofd hangen. Hij gaat naast Sven zitten. “Ik was er al bang voor dat er zoiets als dit zou gebeuren.” “Waarom heeft hij dan nooit iets gezegd over zijn ziekte?” vraagt Sven. Albert schudt zijn hoofd. “Ik heb hem meer dan eens geprobeerd te overtuigen dat hij het u moest vertellen. Maar hij wilde er niets van weten. En hij verbood me om er met u over te praten. Het spijt me.” “Het is jouw schuld niet,” zegt Sven. “En wat hier gebeurd is, is uw schuld niet,” zegt Albert. “U kon niet weten dat uw oom ziek was.” “Dat begrijp ik,” zegt Sven. Hij zwijgt even, terwijl in de verte een sirene klinkt. “Maar de realiteit is dat mijn oom een aanval kreeg door een ruzie met mij. Hoe kan ik me dan niet verantwoordelijk voelen?” Albert aarzelt even. “Uw oom heeft mij ooit een verhaal verteld. Toen hij een Luitenant was, moest hij een groepje mariniers op een missie sturen. Een van die mariniers overleefde het niet. Uw oom had het er moeilijk mee, omdat hij het bevel had gegeven dat die soldaat de dood in had gestuurd. Zijn leidinggevende vertelde hem dat iedere beslissing risico’s met zich meebrengt. En dat die soldaten de risico’s van hun werk kenden. Hij zei vervolgens dat uw oom niets te verwijten was.” “Klinkt als een wijs officier,” zegt Sven. “Die officier was uw grootvader,” zegt Albert. “Uw oom kende de risico’s van zijn beslissing om u niets te vertellen.” “En hij onderging de consequenties,” vult Sven hem aan. Hij kijkt Albert aan. “Achteraf verklaart het veel. Hij probeerde stress te vermijden door ruzies te sussen, maar niet in te grijpen.” “Dat deed hem veel pijn,” zegt Albert. “Maar toch was hij onvermurwbaar in zijn besluit zijn ziekte geheim te houden.” “Ik begrijp het gewoon niet,” zegt Sven. “Ik had hem niets minder gevonden. Waarom heeft hij niets…” Dan gaat zijn telefoon. Hij neemt op, luistert en trekt wit weg. “Carmen is net binnen gebracht. Zwaar gewond. Ik moet naar de OK.” Hij aarzelt. “Kun jij…” “Ik regel het hier wel,” zegt Albert. “Ik ben beter op de hoogte van uw ooms situatie dan uzelf. Als er iets is, dan laat ik het u weten.” “Dank je,” zegt Sven. Hij pakt zijn stok en haast zich weg.
“Mama!” roept Noa als Kim haar komt halen. Kim pakt haar op en knuffelt haar. “Heb je het leuk gehad?” vraagt ze. “Ik heb geklei,” zegt Noa. “Dat is leuk,” zegt Kim. “Is het mooi geworden?” “Niet af,” zegt Noa. “Morgen verder?” “Ja. Morgen weer verder,” zegt Kim, terwijl ze de crèche uit loopt. “Naar papa?” vraagt Noa. Kim zucht. “Nee, lieverd. Papa is even weg.” “Wanneer is hij terug?” vraagt Noa. “Ik weet het niet, lieverd,” zegt Kim. Misschien wel nooit meer, denkt ze.
“Het spijt me, u kunt niet bij haar,” zegt de arts. “Maar ik moet weten hoe het met haar is,” zegt Sven. “Ze wordt nog geopereerd,” legt de arts uit. “Er moet glas uit haar wonden worden verwijderd. En we moeten controleren of er geen ander inwendig letsel is. Haar medepassagier heeft de klap niet overleefd.” “Wie was dat dan?” vraagt Sven. “Wie heeft er zo onverantwoordelijk gereden?” “Dat weet ik niet,” zegt de arts. “Zodra er meer bekend is, laat ik het u weten.” Vervolgens loopt hij weg. Sven laat zich zuchtend op een stoel zakken. Even later komt er een agent aangelopen. “Meneer Vogelaar?” vraag hij. Sven kijkt op. “Ja, dat ben ik.” “Ik wil u graag spreken over het ongeluk,” zegt hij. “Daar weet ik niets over,” zegt Sven. “Ik ben gewaarschuwd dat Carmen el Tiburón gewond is geraakt.” “Dat klopt inderdaad,” zegt de agent. “Maar ze zat samen met uw broer in die auto, toen het ongeluk zich voltrok.” “Mijn broer?” zegt Sven, terwijl hij koud wordt van binnen. “Ja,” zegt de agent. “We vonden zijn stoffelijk overschot bij het lichaam van juffrouw el Tiburón.” “U bedoelt… dat hij dood is?” vraagt Sven. “Correct,” zegt de agent. “Hij de auto is in een greppel terecht gekomen. Geen van de inzittenden had een gordel om. Uw broer brak zijn nek en was vermoedelijk op slag dood.” Sven pakt zijn stok en wringt eraan alsof het de nek van Alexander is. “Wat deed Carmen bij hem in de auto?” vraagt hij. “Dat wordt nog onderzocht,” zegt de agent. “Maar juffrouw el Tiburón was volledig ontkleedt en er zijn sporen van geweld. We vermoeden momenteel dat er sprake was van een verkrachting.” Sven hoort niets meer van wat de agent verder zegt. Hij zakt op zijn stoel. Eerst de dood van Arnout, dan het ongeluk van Carmen door de schuld van Alexander, die nu dood is. Net als mijn ouders zal ook hij niet in dit leven worden gestraft voor zijn daden, denkt hij bitter. Maar dan komen de tranen. Hij kan ze niet tegenhouden. Hij weet niet om wie hij het meeste huilt. Carmen? Zijn oom? Zijn broer? Hij weet het niet. Dan denkt hij aan Nathalie, met wie hij nu zo’n ruzie heeft. En aan Kim, die hij heeft weggejaagd. Degene die meer voor hem heeft gedaan dan wie dan ook. De moeder van zijn kinderen, die beter af zijn zonder hem. Ik sta er alleen voor, denkt hij. Alleen. En meer verdien ik ook niet.
Volgende keer in Burning Ambition:
Er lijkt geen hoop meer te zijn.