Episode 69: Waar rook is, is vuur
“Kom hier,” zegt Alexander, terwijl hij de trap af loopt. “Leg je handen in je nek. En geen geintjes.” Sindie doet wat haar wordt opgedragen. Langzaam loopt ze naar Alexander toe. Zodra ze bij hem is, duwt hij het pistool in haar rug. “Naar boven!” blaft hij. “Langzaam,” Sindie knikt angstig. “Je had hier niet moeten komen,” zegt Alexander terwijl hij haa vooruit duwt. “Dat had ik inderdaad niet moeten doen,” zegt Sindie. “Maar nu weet ik tenminste dat je net zo bent als alle mannen waar ik op viel; een schoft!” “Schelden doen geen pijn,” zegt Alexander. “Maar dít wel,” zegt Sindie, terwijl ze met haar voet naar achteren trapt. Haar voet mist Alexanders kruis, maar brengt hem wel uit balans. Hij laat haar los zodat hij de railing kan grijpen. Sindie rent snel de trap op, maar ze voelt Alexander naderen. Wanneer ze op de eerste verdieping komt, grijpt een hand haar enkel beet en sleurt haar omlaag. Ze valt op de grond. Blindelings trapt ze weer naar achteren. Alexander kreunt van de pijn. Ze hoort het gekletter van het pistool dat op de grond valt. Ze graait er blindelings naar. Haar hand omsluit de handreep, en haar vinger sluit zich om de trekker. Ze kruipt vooruit naar de muur en draait zich om. Alexander houdt zijn hand tegen zijn kruis. Haar voet heeft duidelijk een voltreffer gemaakt. Alexander richt zich weer op. Tijdens de achtervolging is de handdoek van zijn middel afgevallen. Nu torent hij naakt en woedend boven haar uit. En hoewel hij nu kwetsbaar is, en zij gewapend, trillen haar handen van angst. Alexander ziet haar angst en doet arrogant een stap naar voren. Hij strekt zijn hand uit. “Geef me dat pistool,” zegt hij op bevelende toon. “Nee,” zegt Sindie zwakjes. “Je doet er toch niets mee,” zegt Alexander. “Geef me dat…” Sindie haalt met trillende handen de trekker over. Een luide knal weerklinkt. Alexander kreunt en zakt in elkaar. Bloed stroomt over de grond. Sindie staart ongelovig naar wat ze heeft gedaan. Als verdooft, daalt ze de trap af. In haar jaszak zoekt ze naar haar telefoon. Ze toets 112.
Arnout parkeert de auto. Kim springt er al uit voordat hij volledig stil staat. Rond het huis staan diverse politiewagens en ambulances. Ze kijkt angstig toe wanneer een brancard naar buiten wordt gereden. Ze ziet Het asgrauwe gezicht van Alexander. Zijn schouder bloedt hevig, ondanks het verband dat op de wond wordt gedrukt. Hij wordt in de ambulance gezet, die daarna met loeiende sirenes weg rijdt. Ze wil het huis binnen lopen, maar wordt tegengehouden door een agent. “Dit is verboden terrein,” zegt hij. “Mijn man is daarbinnen,” zegt Kim. “Ik moet hem zien. Ik… er wordt een tweede brancard naar buiten gereden. Kim schrikt als ze Sven ziet, lijkbleek, sterk vermagerd, ongewassen en met een baard. Maar ze schrikt nog het meeste van de spalk om zijn been. Ze wurmt zich langs de agent en rent naar hem toe. “Sven!” roept ze. Maar afgezien van licht trillende oogleden krijgt ze geen reactie. “Hij moet naar het ziekenhuis, zegt de ziekenbroeder. Bent u familie van hem?” “Hij is mijn man,” zegt Kim met een brok in haar keel. “Oké, u mag met hem mee,” zegt de broeder. Kim stapt in de ambulance nadat Sven erin is geladen. Daarna gaan ze op weg.” Terwijl ze achterop kijkt, ziet ze nog net hoe Sindie, ondersteund door politie en medici, het huis uit komt lopen. Zelfs vanaf de toenemende afstand is het duidelijk te zien dat ze huilt.
“Arnout staart naar de vertrekkende ambulance. Wanneer deze uit het zicht is verdwenen, richt hij zijn aandacht op Sindie. Hij loopt naar haar toe. Sindie kijkt hem huiverig aan. “Je hebt het juiste gedaan,” zegt Arnout. “Wat je deed was heel moedig.” “Is dat zo?” vraagt Sindie, terwijl een nieuwe golf tranen volgt. “Waarom voel ik me dan zo rot en laf?” Ze loopt huilend verder. Terwijl de hulpdienst haar naar een auto begeleidt, mompelt Arnout in zichzelf; “Tussen moed en lafheid zit een hele dunne en vage lijn.” Dan pakt hij zijn telefoon. Eerst belt hij Carmen. “Sven en Alexander zijn naar het ziekenhuis gebracht,” informeert hij haar snel. “Ik ga er zo meteen naartoe. Ik hou je op de hoogte.” Hij hangt op en draait het nummer van Nathalie.
“Nog een rondje tequila,” zegt Anatevka. Het vijfde glas wordt voor Nathalie neergezet. In tegenstelling tot de eerste vier glazen, pakt ze dit zelfverzekerd op en leegt het glas in één teug. Vervolgens bijt ze in een schijfje citroen. “Doe er nog maar zo eentje,” zegt ze met een dubbele tong. Ineens gaat haar telefoon. Ze kijkt verward rond, voordat ze door heeft waar het geluid vandaan komt. Ze rommelt een tijd in haar tas voordat ze hem heeft gevonden. Ze kijkt op het display: ARNOUT. Ze drukt het gesprek weg. Ze heeft geen zin in gedoe. Ze wil lol maken. “Arnout?” vraagt Anatevka, die heeft meegekeken over haar schouder. “Waarom belt een man jou? Je valt toch op vrouwen?” De meisjes die bij het groepje horen, schieten in de lach. Nathalie lach net zo hard mee. “Zo is het maar net!” roept ze. Ze slaat haar armen om een van de meiden heen en geeft haar een tongzoen. Het meisje zoent net zo enthousiast terug. Anetavka fluit, joelt en lacht even enthousiast als de andere meiden. Maar van binnen lacht ze nog harder.
Kim zit angstig te wachten in een gang van het ziekenhuis. Arnout komt binnen lopen. “Ik heb de nodige dingen geregeld,” zegt hij. “Is er al meer bekend?” Kim schudt haar hoofd. “Ze zijn nog steeds met hem bezig. Ze kijkt Arnout aan met tranen in haar ogen. “Hij zag er zo slecht uit. Wat als hij het nou niet redt?” “Hij redt het wel,” zegt Arnout. “Hoe weten we dat zeker?” vraagt Kim. Dan komt er een verpleegster aangelopen. “Mevrouw de Beurre? U mag naar uw man toe.” “Kim loopt snel achter de zuster aan. In een kamer ligt Sven in een bed. Zijn been is in het gips en hij is aan verschillende infusen gekoppeld. “De dokter komt zo,” zegt ze. Kim knikt en gaat naast het bed zitten. Ze pakt de hand van Sven vast. Ze staart naar zijn ingevallen gezicht. Hij is nog steeds buiten bewustzijn. De deur van de kamer gaat open. “Mevrouw de Beurre? Dokter van Tromp,” stelt de man die binnen komt zich voor. “Hoe gaat het met hem?” vraagt Kim. “Uw man is nu stabiel,” zegt de arts. Er waren hem verdovende middelen toegediend. Die zullen uiteindelijk uit zijn systeem verdwijnen. Verder is uw man ernstig ondervoed. Daarvoor krijgt hij nu infusen en sondevoeding. Zijn been is gebroken en we hebben antibiotica moeten toedienen om een hevige infectie te bestrijden.” “Komt het goed met hem?” vraagt Kim. “We hebben voor hem gedaan wat we kunnen,” zegt de arts. “Zijn lichaam is aan het vechten. Het hangt nu van hem af.” Kim gaat weer bij het bed zitten. “Ik kom straks nog wel kijken,” zegt de arts. Kim hoort hem nauwelijks. Ze kijkt naar Sven, die daar stil ligt. Ze pakt zijn hand vast. “Alsjeblieft Sven,” zegt ze zachtjes. “Hou vol. Ik weet niet wat ik zonder jou moet. Kom alsjeblieft terug. Ik heb je nodig. Noa mist je.” Ze aarzelt even, maar dan legt ze de hand van Sven tegen haar buik. “En je kunt het kindje dat ik in mijn buik draag toch niet geboren laten worden zonder vader?” “Vader?” klinkt dan een fluisterende stem. Kim kijkt op. Door het waas van tranen heen, ziet ze hoe Sven probeert zijn hoofd op te tillen. “Ja,” zegt ze terwijl een glimlach door haar tranen heen breekt. “Je wordt weer vader. We krijgen een tweede kindje.” Ze beweegt zich naar Sven toe en omhelst hem voorzichtig. Tranen lopen over haar wangen. En als ze voorzichtig het gezicht van Sven aanraakt, voelt ze dat ook zijn gezicht nat is. “Het komt nu allemaal goed,” zegt ze.
Volgende keer in Burning Ambition:
Het wordt tijd om de draad op te pakken.