Episode 62: Erop of eronder (Cliffhanger)
Kim zakt op haar knieën. Noa! Ze hebben Noa gevonden. Ze pakt haar telefoon en draait het nummer van Sven. Ze krijgt echter zijn voicemail. “Sven. Ze weten waar Noa is. Ik ga er nu naartoe.” Ze hangt op en draait dan het nummer van Arnout. “Arnout. Ze weten dat Noa bij jou is. Sluit alles af en laat niemand binnen, behalve mij. Ik kom er nu direct aan.” “Kim. Doe dat niet…” protesteert Arnout over de telefoon. Maar dan heeft Kim al opgehangen. Ze staat op en loopt naar buiten. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en stapt in haar auto. Ze rijdt snel weg.
Sven pakt zijn tas op, groet zijn collega’s en loopt dan het hoofdgebouw uit. Hij loopt naar de dienstingang van het wildpark. Wanneer hij bij zijn fiets komt, herinnert hij zich dat zijn mobiel uitstaat vanwege de spoedvergadering van vanmiddag. Hij checkt zijn voicemail en trekt wit weg. Dwaas, denkt hij. Hij springt snel op zijn fiets en racete zo snel als hij kan weg.
Nathalie maakt de laatste dansmove met een vloeiende beweging af. De regisseur en de andere toeschouwers klappen. “Prima werk allemaal,” zegt de regisseur. “Bij de volgende repetitie wil ik dit weer zien. Maar dan met nog meer passie.” De danseressen lopen het podium af. Niet iedereen kijkt Nathalie direct aan. Nathalie blijft een beetje achter hen lopen. Ze loopt naar een kleinere ruimte waar ze zich kan omkleden. Ik had gewoon al eerder hiervoor moeten uitkomen, denkt ze. Niet iedereen zou het hebben begrepen. Maar nu vinden ze me achterbaks. “Hou je het vol?” klinkt de stem van Anatevka achter haar. Nathalie draait zich om. “Ik red het wel,” zegt ze neutraal. “Mooi,” zegt Anatevka. “Er staat veel voor je op het spel.” “Dat ben ik niet vergeten,” zegt Nathalie geïrriteerd. “Beheers je,” zegt Anatevka bestraffend. “Ik kan het je heel lastig maken.” “O ja?” zegt Nathalie. “Heb je invloed op deze productie? Ik zag je anders niet bij de repetitie.” Anatevka krijgt een kleur. “Bemoei je niet met mijn zaken,” zegt ze. “Ben je soms vergeten dat mijn vader deze show produceert?” Nathalie schudt haar hoofd. “En wie denk je dat mijn vader zal geloven als wij ruzie krijgen?” “Jou, natuurlijk,” zegt Nathalie. “Precies,” zegt Anatevka. “Dat is het voordeel van mijn positie. Maar jij zou dat moeten weten. Jij komt ook uit een rijke familie.” Dan doet ze alsof zich zich ineens iets herinnert. “O nee. Jouw familie is alles kwijt geraakt.” Nathalie verliest op dat moment haar zelfbeheersing. Ze doet een stap naar voren en geeft Anatevka een klap in haar gezicht. “Ik heb daardoor tenminste geleerd mijn best te doen. Jij leidt een luizenleventje, zonder te beseffen hoe de wereld er echt uitziet.” Ze draait zich om zonder Anatevka nog een blik waardig te gunnen. Anatevka staart haar na met een blik die zou kunnen doden. “Hiervoor zul je op een dag zwaar gaan boeten,” mompelt ze duister. “Heel je familie zal boeten.”
De bel weerklinkt door het huis. Arnout loopt naar de deur met zijn oude dienstpistool in zijn hand. Hij kijkt door het spionnetje. Kim staat alleen voor de deur. Hij maakt alle sloten open en doet de deur net lang genoeg open, zodat Kim naar binnen kan glippen. Daarna sluit hij direct alles weer af. “Je had hier niet moeten komen,” zegt hij tegen Kim. Kim loopt echter direct de gang door. Haar ogen gaan schichtig heen en weer. “Waar is Noa?” vraagt ze snel. Arnout gebaart naar een ruimte. Daar zitten Noa en Carmen samen te spelen. “Mama!” roept Noa blij. Ze rent naar Kim toe. Kim gaat op haar hurken zitten en slaat haar armen om Noa heen. Tranen stomen over haar wangen terwijl ze Noa over haar haren streelt. “Lieverd… gaat alles goed met je?” “Ja,” zegt Noa. “Tante Carmen en ik tekenen mooi.” “Ze houdt zich fantastisch,” zegt Carmen. “Noa,” begint Arnout. “Wil jij met tante Carmen even wat tekeningen halen die jullie hebben gemaakt? Dan kan je mama die bekijken.” Noa lacht blij. Carmen neemt haar over van Kim en draagt haar de kamer uit. Kim en Arnout blijven samen achter. “Waarom ben je hier gekomen?” vraagt Arnout op barse toon. Kim slikt even. “Ik kreeg een telefoontje dat ze weten waar Noa is.” “Zeiden ze letterlijk dat ze hier is?” vraagt Arnout. Kim voelt zich ineens heel klein worden. “Nee. Ze…” “Zeiden dat ze weten waar Noa is,” maakt Arnout de zin af. Kim krijgt een misselijk gevoel. “Dus ik heb ze nu dus misschien we hier naartoe geleidt?” “Die kans is er,” zegt Arnout. Kim laat zich op een stoel zakken. Ze staart stil voor zich uit. Even later komt Carmen terug met Noa en een stapel tekeningen. Terwijl Noa de tekeningen aan haar laat zien, praat Arnout met Carmen over de nieuwe situatie. Hoewel Kim alles ziet en hoort gebeuren, dringt er niets tot haar door. Zo verstrijkt de tijd. Maar er gebeurt niets. Waarom komen ze niet? Denkt Kim. Ik heb ze nu toch gegeven wat ze willen. Waarom komen ze dan niet in actie?
Sven hoort hoe achter hem een auto nadert. Hij kijkt even om en ziet een bestelbusje naderen. Hij gaat wat meer naar rechts fietsen, zodat het busje de ruimte heeft om hem te passeren. Wanneer de wagen langs hem rijdt, gaat hij echter in hetzelfde tempo rijden als Sven. Sven kijkt verbaasd opzij. Een geblindeerd portierraam gaat open. Voordat hij de inzittende kan bekijken, maakt een vuist contact met zijn wang. Het ziet eventjes sterretjes. Dan voelt hij hoe hij in de struiken valt. Versuft krabbelt hij overeind. De auto is gestopt en twee mannen stappen uit. Sven duikt het struikgewas in. Terwijl hij zo hard mogelijk wegrent, hoort hij de twee mannen naderen. Hij voelt steken in zijn zij. Hij is al uitgeput van het harde fietsen. Hij heeft niet meer de kracht om te rennen. En door het geritsel van de takken en bladeren, verraadt hij zijn positie. Hij struikelt over een boomwortel en valt op de grond. Door de klap, wordt de lucht uit zijn longen geslagen. Hij hoest en ademt zwaar om weer bij zinnen te komen. Hij probeert weer op te staan, maar een donkere gedaante duikt op hem en drukt hem tegen de grond. Sven probeert zich op te drukken. Maar de man is te zwaar en te sterk. De tweede man duikt ook op hem. Eerst plakt hij de mond van Sven dicht met tape. Vervolgens bindt hij hem vast. Met een gesmoorde schreeuw probeert Sven een belediging naar zijn belagers te spuwen. Maar de mannen halen enkel hun schouders op. Een van de mannen haalt uit. Het wordt zwart voor de ogen van Sven, waarna hij op de grond ineen zakt. De mannen tillen hem op en dragen hem naar de auto. Daar checken ze of er niemand te zien is. Dan leggen ze Sven, samen met zijn fiets, in de laadruimte.
Carmen gluurt gespannen tussen de lamellen door. Buiten is echter niets te zien. Ze loopt weer terug naar de bank. Waar zowel Kim als Arnout zitten. Noa is moe, maar tevreden en volledig zonder problemen naar bed gegaan. Carmen wil wat zeggen. Maar als ze ziet hoe Kim er aan toe is, kan ze niets verzinnen om haar te troosten. Ze gaat naast Kim zitten en slaat een arm om haar heen. Kim laat haar hoofd op haar schouder rusten. Dan worden ze opgeschrikt door de telefoon van Kim. Kim vliegt direct op. Ze pakt haar telefoon en neemt op. Weer klinkt er een elektronische stem. “Ongelooflijk hoe gemakkelijk mensen iets slechts geloven. Ik heb nooit iets willen doen met dat kind van je. Maar door jouw handelen heb je me in de kaart gespeeld. Sven was alleen en machteloos. Ik heb hem in handen. Doe geen moeite om hem te zoeken. Je zult hem niet vinden. De vraag is nu wat ik met hem ga doen. Daar zul je uiteindelijk wel achter komen. Maar nu nog niet. Voorlopig mag je jezelf gek maken met die vraag. Misschien zie je hem levend terug. Misschien ook niet.” Dan wordt er opgehangen. Kim zakt op haar knieën. Sven! Ze is bedrogen! Ze hadden zich volledig op de bescherming van Noa geconcentreerd. En nu is juist Sven haar afgenomen. Hoe heb ik zo dom kunnen zijn? Denkt ze. Ze laat haar hoofd op de grond zakken. Ze kan nauwelijks adem halen door haar gesnik en het misselijke gevoel dat ze heeft. Arnout en Carmen komen bij haar zitten. Ze proberen haar te kalmeren. Maar niets helpt. Ondanks hun aanwezigheid, en het feit dat Noa veilig is, voelt Kim zich eenzamer dan ooit.
Sindie zit zenuwachtig met haar vingers op het tafelblad te trommelen. Dan komt Melchior haar kantoor binnen lopen. Sindie staat op. “En?” vraagt ze. Melchior grijnst. “Het is gelukt,” zegt hij. “Binnenkort zal Kim geen bedreiging meer voor ons zijn.” Sindie glimlacht. “Goed werk. Je zult wel blij zijn dat je deze fout heb kunnen rechtzetten?” Het gezicht van Melchior betrekt. “Door Kim erbij te halen, deed ik op dat moment wat het beste leek voor mijn carrière. Maar dat doet er nu niet meer toe. Wat telt is dat we de eerste stap hebben gezet om Kim weer uit ons leven te laten verdwijnen.” Sindie lacht. “Precies. Haar leven zal nu zeker niet meer zo voorspoedig zijn.”
Sven komt bij doordat het busje begint te schudden. De deuren vliegen open en de twee mannen sleuren hem naar buiten. Ze dragen hem direct een huis in. Bij een deur houden ze halt. De man opent de deur en rukt de tape weg van de mond van Sven. Sven grauwt. De mannen duwen hem, nog altijd vastgebonden, een schemerige kelder in. Daarbij valt hij ruw op zijn zij. Er klinkt een scherp, knappend geluid in zijn rechterbeen, gevolgd door een stekende pijn. Sven schreeuwt het uit. Hij probeert op zijn knieën te gaan zitten. Maar het been kan zijn gewicht niet dragen. Hij valt weer op de grond. “Voorzichtig,” zegt een bekende stem vanuit de schaduw. “Het lijkt erop dat je been gebroken is. Daar moet naar worden gekeken. Wie weet wat er gebeurt als het niet goed wordt behandeld? Ontstekingen? Misvorming? Of iets anders?” Sven knippert met zijn ogen om de tranen, die zowel door de pijn als door zijn woede zijn ontstaan, uit zijn ogen te krijgen. “Hou op met die spelletjes, Alexander! Ik weet toch al dat jij het bent. Ben je al net zo’n lafaard als onze vader?” Alexander stapt uit de schaduw in het weinige licht. Hij geeft met zijn voet een schopje tegen Svens gebroken been. Sven schreeuwt het weer uit. “Hoe waag je het om zo te praten broertje?” zegt Alexander kwaad. Hij gaat op zijn hurken zetten. Hij staart Sven aan met ingehouden woede. “Jij bent degene die onze familie heeft verraden. Jij hebt vader geruïneerd. Al zou ik eeuwig de tijd hebben, dan nog kun je niet genoeg boeten voor je daden.” Dan grijnst hij vals. “Maar ik zal genieten van ieder moment dat ik je hier heb. We hebben zoveel te bespreken broertje. En, helaas voor jou, zo weinig tijd.”