Episode 44: Dat zit in besloten vaten
“Waarom zou ik hier zitten luisteren naar deze onzinnige theorieën?” zucht Maurice Brique geërgerd in zijn onberispelijk bekakte Frans. “Mijn ouders zijn dood en in hun plaats is het nu aan mij om het familiebedrijf te leiden.” Hij kijkt naar Kim en Sven die samen met hem aan de tafel op het politiebureau zitten. “Uw rapport gaf al aan dat zij geen schuld kunnen hebben aan de brand die mijn vader het leven kostte. Mijn moeder was een vrouw van uitgesproken meningen. Maar ik deel haar overtuiging niet dat ze er iets mee te maken hebben. Ze heeft zelfmoord gepleegd toen ze inzag dat ze gestraft zou worden voor het inhuren van die moordenaar. Maar ik heb daar niets mee te maken. Ik zat in het buitenland en ze heeft me niets over haar plan verteld. Ik wil graag weten hoe het kan dat die brand is uitgebroken. Maar wat mij betreft is de zaak rond deze twee mensen gesloten.” “Helaas is die zaak voor ons niet gesloten,” zegt de agent. “Een huiszoeking heeft een vondst opgeleverd van wel twintig dolken. Allemaal van hetzelfde type als de dolk waarmee Bart Karos, in opdracht van uw moeder, juffrouw de Beurre probeerde te vermoorden.” “Ik heb u al eerder gezegd dat ik daar niets vanaf weet,” zegt Brique kwaad. “Mijn vader heeft me ooit die specifieke dolk laten zien ja. Maar die bewaarde hij in een vitrinekast, totdat mijn moeder hem eruit haalde en aan die moordenaar gaf. Die andere dolken lagen volgens jullie in een oude kast in de kelder. Een kast waarvan ik de inhoud nog nooit heb gezien. Ik ben zelfs nooit in die kelder geweest.” “Hoe verklaart u dan de aanwezigheid van die dolken?” vraagt de agent. “Dat kan ik niet,” gromt Brique. “Als die dolken in het bezit waren van mijn vader, dan is dat geheim met hem gestorven.” Hij kijkt naar Sven. “En die dolk die in het bezit van jouw familie was, dat is een aardigheidje om te weten. Het geeft aan dat je tenminste een beetje blauw bloed hebt. Ook al is dat bloed door de eeuwen heen wel erg dun geworden.” Hij staat op uit zijn stoel. “Als er verder niets meer is, dan wil ik nu graag weg.” De agent knikt. “Houdt u zich wel beschikbaar voor het onderzoek,” waarschuwt hij. Brique knikt met een zuur gezicht en vertrekt dan.
Kim kijkt toe hoe de deur zich achter Brique sluit. Ze kijkt de agent verbaast aan. “Laat u hem zomaar gaan?” vraagt ze. De agent kijkt haar vreemd aan. “We hebben geen hard bewijs tegen hem,” legt hij uit. “Bovendien is hij erg machtig. Hij kan makkelijk een aanklacht indienen als we hem vastzetten zonder gegronde reden. We onderzoeken de zaak. Meer kunnen we momenteel niet doen.” Kim knikt berustend. “Ik moet ook aan u vragen of u zich beschikbaar wilt houden,” zegt de agent. “Dat begrijpen we,” zegt Sven. “Dank u wel.” Ze schudden de agent de hand en lopen dan het vertrek uit.
Buiten aangekomen zien Kim en Sven dat Brique ergens op staat te wachten. Hij kijkt eerst de straat af en kijkt dan weer nadrukkelijk op zijn horloge. Er komt een grote zwarte wagen aanrijden. Wanneer de deur open gaat, ratelt hij snel een verwensing in het Frans naar de chauffeur. Vanuit de auto komt een assistent gestapt die Brique een aantal papieren overhandigt. Brique pakt ze aan en werpt er vluchtig een blik op. Vervolgens stapt hij in. Zijn assistent sluit het portier voor hem. Wanneer hij zich omdraait, zien ze dat het Ramon is. Hun blikken kruisen elkaar even, maar Ramon loopt vervolgens zonder blikken of blozen om de auto heen en stapt aan zijn kant weer in. Vervolgens rijdt de auto de straat uit.
Sven wendt zijn blik af van de wegrijdende auto en kijkt naar Kim. Ze staat met gebalde vuisten nog altijd naar de auto te staren. Hij legt zijn hand op haar schouder, waardoor ze opschrikt uit haar trance. “Ik had niet gedacht die verrader nog terug te zien,” zegt ze. Sven schudt zijn hoofd. “Hij heeft duidelijk geprofiteerd van de situatie.” “Hij deed net of we lucht waren,” zegt Kim. Hij heeft het natuurlijk perfect voor elkaar in dat grote landhuis, werkend voor die familie van profiteurs. En ik kan niet bewijzen wat hij heeft gedaan. Jean-Pierre Brique is dood en Ramon zal het zeker ontkennen, wetend dat hij wordt beschermd door Maurice Brique.” Ze haalt even diep adem en ontspant dat ietwat. “Hopelijk hoeven we hem niet meer te zien.” Sven knikt. Het is waarschijnlijk ijdele hoop, maar ook hij hoeft Ramon niet meer te zien. “Laten we maar terug gaan naar de herberg,” zegt hij dan. “Eens zien of we nog wat kunnen doen dat ons kan helpen.” “Goed dan,” zegt Kim. Ze lopen de straat uit richting de herberg.
Tijdens hun wandeltocht terug naar de herberg, komen ze diverse keren mensen tegen die hen vreemd aanstaren. Achter hen horen ze voortdurend stemmen praten. Wat ze zeggen kunnen ze net niet verstaan. Maar de toon waarop wordt gesproken zegt genoeg. “Ze vertrouwen ons duidelijk niet meer,” zegt Sven. Kim schudt haar hoofd. Vroeger kwam ze graag in het dorp. De mensen hadden altijd wel tijd voor een praatje. Maar nu worden ze met de nek aangekeken. Er is gedurende hun afwezigheid een hoop over hen geroddeld. Ze zijn nu paria’s in hun ogen. Ook al zou ze het willen, ze kan deze plek niet meer haar thuis noemen. Hoewel ze dit heel goed beseft, doet het haar toch pijn. Haar jeugd ligt hier. Ze had Noa hier ook op willen laten groeien. Maar die deur is voorgoed gesloten. Aan de rand van het dorp slaat Kim plotseling een andere weg in. Sven krijgt in de gaten wat ze doet en rent achter haar aan. “Dit zou ik niet doen als ik jou was,” zegt hij tactvol. Kim schudt haar hoofd. “Ik weet dat dit niet verstandig is, maar ik moet dit doen,” zegt ze resoluut. “Je kunt meegaan of teruggaan. Maar ik ga hoe dan ook verder.” Sven pakt haar hand vast en knijpt erin. “Ik laat je niet alleen,” zegt hij zowel vastberaden als troostend. Kim glimlacht, terwijl ze achter haar ogen de tranen voelt branden. Samen lopen ze, hand in hand, over de bosweg. Uiteindelijk komen ze op een vertrouwde open plek aan. Maar hoewel de locatie vertrouwd is, is de aanblik dat niet: Een terrein afgezet met hekken en waarschuwingsborden. Kim staart er stil naar terwijl de tranen over haar wangen biggelen. Ze begraaft haar gezicht in de schouder van Sven. Sven omhelst haar troostend met een vreemd gevoel van déjà vu. Maanden geleden stonden ze op vrijwel dezelfde plek. Maar in plaats van dat hij een brandend kasteel ziet, ziet hij nu een ruïne. Wat afgebrokkelde muren, zwart geblakerd door vuur. Een een paar vermolmde houten palen. Dat is alles wat er nog over is van Château Étalon. De stallen zijn afgebroken en het hele terrein is afgezet. Deze ooit zo prachtige plek is gereduceerd tot as en herinneringen.
Volgende keer in Burning Ambition:
Tijd voor harde maatregelen.